Nov 9 2009

Mijn visie op levensbeschouwelijk onderwijs anno 2009

 

 

 

 

Wat houdt dit vak in? Hoe geven docenten invulling aan dit vak? Wat voor bijdrage kan dit vak leveren aan de vorming van jonge mensen? En wat betekent het voor de samenleving of wat kan het voor de samenleving betekenen? 

Dit beeldmerk ontwierp ik als logo voor het schoolvak Levensbeschouwing
ontwerp (c) Bart Hoogendijk

Levensbeschouwing!

Misschien bent u niet bekend met dit vak? Niet iedere school in Nederland biedt namelijk levensbeschouwelijk onderwijs aan. Hoogst waarschijnlijk kent u wel het vak Godsdienst. Tegenwoordig wordt dit vak Godsdienst/Levensbeschouwing genoemd.

 

 Historisch gezien gaan de wortels van dit schoolvak terug naar wat men noemt ‘De schoolstrijd’ waarin de toenmalige inwoners van Nederland streden voor een eigen invulling van de levensbeschouwelijke vorming van hun kroost. Ouders die daar bepaalde opvattingen over hadden mochten een eigen school stichten. Stichtingen werden gesticht en het ‘Bijzonder onderwijs’ werd geboren. De ‘normale scholen’ werden de openbare scholen. Deze scholen werden gesticht door de overheid en beweerden levensbeschouwelijk neutraal te zijn.

 

Welnu, deze tweedeling bestaat ook anno 2009. Echter zijn er wel wat verschillen met ‘vroeger’. Allereerst dat de inhoud van de groep Bijzondere scholen diverser is geworden met de jaren. Bijzonder onderwijs is nu namelijk ook: Montesorie, antroposofie, Jena-plan, islamitische scholen etc. Toch zijn het wel vaak juist de bijzondere scholen die vak Godsdienst/Levensbeschouwing -of iets wat er op lijkt – aanbieden. Een tweede verschil tussen toen en nu is dat een school toch in eerste instantie een school blijkt te zijn. Veel ‘openbare scholen’ hebben toch iets van een identiteit ontwikkelt en zijn levensbeschouwelijk gezien verre van neutraal. Vice versa zijn ‘bijzondere scholen’ meer open minded geworden; de eens zo levensbelangrijke identiteit IS meer en meer naar de achtergrond geschoven.  

 

Op papier is het allemaal wat ouderwetser dan hoe de dingen in de tegenwoordige praktijk gaan (dit vermoed ik op basis van mijn ervaringen, maar echt onderzoek hiernaar is broodnodig, old school Godsdienstig onderricht komt denk ik nog steeds wel voor en wordt verdedigd met Artikel 23 in de grondwet). Maar die papieren verzuiling zit volgens mij iets belangrijkers in de weg.

 

Voor de meeste vakken in het onderwijssyteem zijn via overheidswege leerinhouden en kernvaardigheden opgesteld. Dat is niet het geval voor het vak Levensbeschouwing. Grote clubs zoals ‘de protestanten’ en ‘de katholieken’ zijn al jaren druk in de weer in het opstellen en ontwikkelen van raamleerplannen. Deze raamleerplannen geven het vak Godsdienst/Levensbeschouwing iets van een uniforme inhoud. Minpuntje is dat deze raamleerplannen mijns inziens relatief veel aandacht hebben voor grote levensbeschouwelijke tradities terwijl er juist zoveel vraag is naar de ontwikkeling van persoonlijke levensvisies [1].

 

Veel meer effect op de groei en ontwikkeling van de conceptuele inhoud van het vak Levensbeschouwing hebben de lerarenopleidingen, dat wil zeggen, de mensen die daar werken en degenen die de docenten Godsdienst/Levensbeschouwing opleiden.

 

Mijn scholing tot docent Levensbeschouwing genoot ik aan de Fontys Hogeschool voor Theologie en Levensbeschouwing te Tilburg. Hier ben ik ´ingewijd´ in het zogenaamde levensvragen-model van Segers en Rijksen [2]. Hun collega Wiskerke schreef er in 2004 een essay over waarin hij pleit voor een update van het model [3]. 

 

Het levensvragen-model inclusief update, heeft mijn visie op het vak gevormd. Deze visie wil ik hieronder als docent Levensbeschouwing en als masterstudent voor docent Godsdienst eerste graad (sic!) uiteenzetten zodat vakgenoten – en eenieder die wil – met mij erover van gedachten wisselen.

 

 

‘Levensvragen staan centraal in het vak Levensbeschouwing. Reeds in het eerste jaar van de middelbare school wordt met leerlingen het begrip levensvragen besproken. Levensbeschouwing is immers het stil staan bij het leven als geheel. En als men eenmaal ‘stil staat’, dan komen de levensvragen als het ware opborrelen. Anders gezegd, er zijn ervaringen/gebeurtenissen in het leven van ieder mens die haar of hem ertoe brengen om het leven te beschouwen. Dan komen ook levensvragen bij mensen tot leven. Net als gevoelens van begrip, troost, steun, ontzag, maar ook dwang, uitdaging, woede en onbegrip. Van hieruit vraagt het levensbeschouwen van de mens om aandacht; juist omdat het zo fundamenteel aanwezig is in alles. Mensen hebben er niet in de laatste plaats aandacht voor nodig omdat het hen fysisch en psychisch gezond kan houden en omdat het hen ziek kan maken. Dit alles ondergaan mensen meestal onbewust. Zoals dit bijvoorbeeld bij het stellen en beantwoorden van levensvragen het geval is. Mensen gaan mogelijke antwoorden op levensvragen verkennen. Mensen kunnen dan in hun antwoorden een zeker welbevinden ervaren waar zij op zoek naar waren en zullen dan deze antwoorden zich meer en meer toe eigenen/ritualiseren. Vaak slijten deze antwoorden zich dan in, in het onbewuste en worden ze onderdeel van een symbolische praxis.’

Noten:

[1] Maarten Meester schreef in De Volkskrant van zaterdag 7 november 2009 hier een boeiend artikel/essay over: Nieuwe vormen van spiritualiteit, Ietsisten zijn modelburgers

[2] reader Basisbegrippen Levensbeschouwing, Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing, door H.Rijksen en L.Segers

[3] N. Wiskerke, De levensvragenbenadering, Aandachtspunten voor een upgrade in: Zinderend denken, Opstellen over levensbeschouwing en moderniteit, Fontys Hogeschool voor Theologie Levensbeschouwing, Tilburg, 2003, p.73-83

 


May 9 2009

Delen in het wonder

Aardappeleters, Vincent van Gogh, 1885

Donkerte kleuren
‘Van Gogh schilderde De aardappeleters als kleurexperiment’ zeggen sommige kunstkenners die Van Gogh’s schildertechniek bestuderen. Vincent van Gogh (1853-1890) zou gezocht hebben naar een manier om de donkerte te kleuren. De huidige staat van het meesterdoek doet duister en donker aan. De oorspronkelijke verfstaat liet juist veel kleur zien. De verf op het doek werd donkerder in de loop der tijd.

Van verflaag naar betekenislaag
Misschien ben ik niet de enige die lange tijd dit werk interpreteerde als een weergave van een weerbarstig en verduisterd leven met als lichtpunt de zekerheid van voedsel. De donkere sfeer was doorslaggevend voor deze zienswijze. Uiteindelijk bracht het meisje op de voorgrond mij op een ander spoor: het werk gaat nu volgens mij niet over verlatenheid, maar over verbondenheid. Het gaat over een wonder wat zich voltrekt in het alledaagse leven voor wie er oog voor heeft. Wie er niet op let, ziet het niet. De schildertechnische opmerking over de oorspronkelijke verf bevestigde mij in mijn nieuwe zienswijze.

Of dit spoor ook daadwerkelijk leidt naar de beweegredenen en ervaringen van de kunstenaar valt niet met zekerheid te zeggen. Toch wil ik in dit artikel mijn interpretatie in tekst omzetten. Deels om mijn eigen interpretatie beter te leren kennen (het spoor verder volgen) en deels om via reacties iets te vernemen over de plausibiliteit ervan.

Religieuze gedrevenheid
Ten geleide iets over Vincent van Gogh wat niet iedereen weet. Eerder werkte Van Gogh als predikant onder arme arbeiders in de Borinage, een mijnstreek in het zuiden van België. De vader van Van Gogh, Theodorus van Gogh was dominee in Zundert. Vincent van Gogh groeide aldus op in een religieuze traditie. In het voetspoor van zijn vader probeerde Vincent het volk iets aan te reiken uit zijn eigen religieuze belevingswereld, maar werd vanwege zijn extreme uitingen ontheven uit zijn functie.
Vincent verkoos op eerder aanraden van zijn broer in 1880 kwast voor kansel en won zodoende de ruimte om te zoeken naar een eigen beeldtaal.

Bidden om te worden wie je bent
In de brieven die Vincent heeft geschreven aan zijn broer over het schilderen valt iets te voelen van de gedrevenheid, de strijd, de eenzaamheid en het verlangen om ‘te worden wie je bent’. Vincent verlangde dit voor zichzelf en voor de ander.
Zoals bidden ook een vragen is, zo is het ouvre van Van Gogh ook te zien als één groot gebed. Vervoering, ontzag, vrees, berusting, meditatie en aanbidding zijn terugkerende thema’s in zijn indrukwekkende nalatenschap. In één van zijn brieven aan zijn broer Theo schrijft hij: “Probeer de essentie te begrijpen van wat de grote kunstenaars, de serieuze meesters in hun meesterwerken zeggen, daarin zul je God terugvinden. De een heeft het geschreven of gezegd in een boek, de ander in een schilderij.”

Symboliek
Met De aardappeleters (1885) bereikte Vincent volgens mij het moment waarop hij zijn religieuze weg opnieuw kon volgen; zijn roeping opnieuw verstaan. De predikant had zijn taal gevonden. De aardappeleters was Vincent’s eerste preek in verf.

Enkele voorbeelden van symbooltaal in De aardappeleters die een sterke religieuze drijfveer in het werk van Van Gogh laten zien wil ik graag verduidelijken in het onderstaande betoog.

De essentie van de serieuze meesters
Vincent heeft geleerd van oudere meesters zoals Rembrandt. Voor De aardappeleters maakte Van Gogh gebruik van eerdere ontdekkingen in beeldtaal. Het onderstaande voorbeeld van Rembrandt was zeer waarschijnlijk bekend bij Van Gogh:

Geboorte van Jezus, Rembrandt van Rijn, 1646

Zowel in de compositie als in het gebruik van lichtval zijn er duidelijke overeenkomsten te zien.
Zijn er buiten deze uiterlijke overeenkomsten ook in religieuze zin overeenkomsten aan te wijzen?

Bijzondere alledaagsheid

Ritueel
Het licht roept in beide werken een rituele sfeer op. De personen zijn er om heen gegroepeerd waardoor er een samenkomst wordt uitgebeeld. In het werk van Rembrandt wordt de geboorte van De Christus verbeeld. In het midden zien we de Verlosser in een stralende gloed licht. Op het eerste gezicht misschien inhoudelijk onvergelijkbaar ondanks de overeenkomsten in compositie. Laten we echter niet vergeten dat er heel wat aan vooraf is gegaan voordat wij een kind in een eenvoudige voederbak als iets heiligs zien. Het is niet moeilijk om je een voorstelling te maken van de alledaagsheid hierin.

Avondmaal: brood en wijn; aardappelen en koffie
Juist die bijzondere alledaagsheid komt terug in de maaltijd die Van Gogh schilderde. De maaltijd herhaalt zich waarschijnlijk iedere avond zo, maar heeft tegelijkertijd iets van een plechtig avondmaal. Ogenschijnlijk is deze maaltijd ‘doodnormaal’, maar wie het zo ziet leeft niet in het Koninkrijk Gods.
Tijdens het laatste avondmaal zegt Jezus over het brood ‘dit is mijn lichaam’ en over de wijn ‘dit is mijn bloed’. Brood en wijn belichamen de alledaagsheid. Misschien vergezocht, maar het zou een reden kunnen zijn om aardappelen en koffie tegelijkertijd af te beelden (een min of meer onopgeloste vraag die voorheen altijd werd opgelost met het argument dat dit noodzakelijk is geweest voor de compositie): brood en wijn vertalen zich in Nuenen binnen de context van een avondmaal al snel in aardappelen en koffie!

Zijn zoals een kind
Ook het raadselachtige meisje krijgt in deze visie een veel grotere rol dan louter een compositorische. Via haar krijgt de toeschouwer toegang tot het beeld. De kijker ziet eigenlijk wat het meisje ziet. Als de kijker een ‘zwarte vlek’ ziet dan is de kern van de boodschap verborgen. Wie een stap verder kan kijken kijkt voorbij de zwarte vlek. Zodoende wordt men als kijker het meisje zelf. Met andere woorden: je moet de wereld kunnen zien als een kind om het wonder te kunnen aanschouwen. Is dit Van Gogh’s vertaling van het beroemde nieuwtestamentische vers: Wie het rijk van de Vader wil binnen gaan moet zijn zoals dit kind.”?


Mar 22 2009

Een avontuur met metaforen

Deze scene uit de film Il Postino (1994) laat een gesprek zien tussen de intellectuele dichter Pablo (Phillipe Noiret) en de ongeletterde postbode Mario (Massimo Triosi) over metaforen. Op een eerder punt in het verhaal zijn de dichter en de postbode een onuitgesproken meester-leerling gesprek aangegaan over metaforen. Wat volgt is een (mystagogische?) inwijding in metaforisch taalgebruik. De postbode vraagt zich nu af of de hele wereld als een metafoor gezien kan worden.